| Beste Europese stedentrips 2014 | |
|---|---|
| Krakau (Polen) | 8.82 |
| Sevilla (Spanje) | 8.64 |
| Venetië (Italië) | 8.62 |
| Brugge (België) | 8.57 |
| Rome (Italië) | 8.57 |
| Wenen (Oosten) | 8.56 |
| Barcelona (Spanje) | 8.55 |
| Maastricht (Nederland) | 8.54 |
| Praag (Tsjechië) | 8.51 |
| Berlijn (Duitsland) | 8.50 |
zondag 26 januari 2014
Beste Europese stedentrips 2014
zaterdag 18 januari 2014
Wenen
Meest leefbare stad ter wereld
- Auteur: Liesbet Cornelissens
Voor het tweede jaar op rij is Wenen uitgeroepen tot Meest Leefbare
Stad Ter Wereld door het gereputeerde adviesbureau Mercer. De
Oostenrijkse hoofdstad is bekend van Sissi, Strauss en Sachertorte, maar
wist je dat bijna de helft van de stad bestaat uit groen en parken, dat
de metro tot aan het strand rijdt en dat er uitstekende wijn wordt
gemaakt?
'Wenen is de enige hoofdstad ter wereld die binnen de
stadsgrenzen enkele uitgestrekte wijngaarden heeft', zegt Martin
Hollinger, een Weense vriend van me die als privégids optreedt. Martin
groeide op in de regio Stiermarken (Steiermark), maar raakte tijdens
zijn studies in de ban van de Oostenrijkse hoofdstad en is er blijven
hangen. 'Wenen heeft alle voordelen van een grote stad en tegelijk alle
voordelen van het platteland', zegt hij.
Martin neemt ons mee naar de Kahlenberg, een met wijngaarden bedekte heuvel in het noorden van Wenen. Vooral 's avonds heb je er een prachtig uitzicht over de stad. De Oostenrijkse hoofdstad telt zo'n 700 hectare wijngaarden, goed voor een productie van ruim twee miljoen liter wijn. Wijnproeven kun je het best in een van de Heurigers doen. Een Heuriger is een typische Weense wijntaverne met wit-rood geruite tafelkleedjes en livemuziek. Je kunt je drank combineren met stevige Oostenrijkse maaltijden, die worden afgewogen aan de kassa. Een typischer begin van een bezoek aan Wenen is haast niet denkbaar.
Sachertorte
Een van de criteria waarvoor Wenen zeker een hoge score gehaald heeft, is het openbaar vervoer. Metro's, trams en bussen zijn er in overvloed en sinds begin september rijdt de metro in het weekend ook 's nachts. De Kahlenberg ligt even buiten het centrum, maar met het openbaar vervoer staan we snel aan de voet van de Stephansdom.
'Voor de Weners is dit hét centrum van de stad', legt Martin uit. Het is bovendien het mooiste gotische gebouw van Oostenrijk, waarvan vooral het dak opvalt: zo'n 250.000 dakpannen vormen het wapen van Habsburgers. Binnenin is een bezoek aan de catacomben en de noordtoren met een 20 ton zware klok zeker de moeite waard. Het verkeer rond de Stephansdom bestaat grotendeels uit paardenkoetsen en de winkelstraten zijn zelfs helemaal verkeersvrij.
Aan het einde van de Kärtner Strasse, de duurste straat op het Oostenrijkse Monopoly-bord, ligt de Staatsopera. Wie hier een voorstelling wil bijwonen - een mondje Duits is zeker aan te raden - kan de dag zelf een goedkoop ticket kopen voor een staanplaats. Ben je geen operafan, dan kun je het neorenaissancegebouw ook gewoon bezoeken en je vergapen aan de beelden, de grote trap, het theesalon en de wandtapijten.
Naast de Staatsoper bevindt zich het Hotel Sacher, waar je de bekendste taart ter wereld kunt eten. Zeven jaar lang woedde een juridische strijd tussen Sacher en de grote concurrent, Demel. Uiteindelijk besliste de rechter dat alleen het Sacher Hotel zijn baksel 'Original Sacher-Torte' mag noemen. 'Maar maak je geen illusie', zegt Martin, 'bijna elk koffiehuis heeft zijn eigen sachertaart, een chocoladetaart met een laagje abrikozenmarmelade en een dikke laag chocoladeglazuur.'
En aan koffiebars heeft Wenen geen gebrek, want hier heerst nog een echte koffiecultuur. Een van de beroemdste koffiehuizen bevindt zich in de Friedrichstrasse. Het in 1899 ontworpen Café Museum opent in oktober opnieuw de deuren en mocht onder meer de symbolistische schilder Gustav Klimt onder zijn vaste klanten rekenen.
Dat valt te begrijpen, want vlakbij bevindt zich hét art-nouveaugebouw van de stad: het Secessionsgebouw. Het was de plek waar de kunstenaars van de Secession-stroming, de Oostenrijkse variant van de jugendstil/art nouveau, bij elkaar kwamen. Vooral de witte buitenkant en de met goud versierde koepel trekt heel wat bezoekers aan. Binnen bevindt zich de Beethovenfries, een 34 meter lang fresco van Klimt ter ere van Ludwig van Beethoven.
Wandel over de Naschmarkt, een gezellige dagelijkse markt, en je komt nog enkele mooie art-nouveaugebouwen tegen, zoals het witgekalkte Wagner Haus of het kleurrijke Majolika Haus. Wenen heeft de traditie een voorloper te zijn op architecturaal vlak. Het meest recente uithangbord daarvan is de Oostenrijkse kunstenaar Friedensreich Hundertwasser, die in Wenen verschillende gebouwen optrok, waaronder de lange schoorsteen met zilveren koepel van een afvalverwerkingsbedrijf. Zijn ultieme visitekaartje is natuurlijk het Hundertwasserhaus, een sprookjesachtig huis met uivormige koepels, een groen dak en een kleurige gevel. Het biedt onderdak aan zo'n 50 appartementen en bevat niet één rechte muur. Zelfs het trottoir voor het huis heeft iets van een achtbaan.
Groen en barok
Ook typisch voor Wenen zijn de vele groene zones. 'Van alle Europese grootsteden heeft Wenen het grootste percentage aan groen: bijna de helft van de totale stadsoppervlakte', zegt Martin. Tientallen parken en tuinen wedijveren om de aandacht. Zo is er het uitgestrekte stadspark met het wereldberoemde beeld van Johann Strauss, een van de uithangborden van de stad. Oorspronkelijk was dit standbeeld gewoon grijs, maar in Japan werd een collecte gehouden om het te voorzien van goudverf.
Een ander gezellig park is de Karlsplatz, waar bij mooi weer heel wat mensen onder de bomen aan het water zitten te genieten van het uitzicht op de Karlskirche. Die kerk is een pareltje van de barok en sinds de recente renovatie kun je er de stelling beklimmen tot helemaal in de koepel van de kerk. De plafondfresco's zijn zo binnen handbereik en je kunt ze dus uitvoerig bestuderen. Ook het uitzicht over de Weense daken is fantastisch. Op het plein voor de kerk staat, zoals op zoveel andere plaatsen, een drinkwaterfontein. Gewoon aangesloten op het waterleiding, want in Wenen is het kraantjeswater drinkbaar, nog een criterium waaraan de meest leefbare stad moet voldoen. In het Stadspark was vroeger zelfs een kuuroord gevestigd waar geneeskrachtig mineraalwater werd gedronken. Nu is het gebouw, in barokstijl, een casino.
Een ander hoogtepunt van de barok is het Belvedere, de zomerresidentie van prins Eugene van Savoy. De prins verdedigde Wenen tegen de Turken en kreeg als oorlogsheld zo'n grote beloning dat hij zich meteen twee paleizen liet bouwen. In het hoogst gelegen gebouw bevindt zich nu een kunstmuseum met onder meer Klimts beroemdste werk, De kus. Tussen beide paleizen liet prins Eugene een Franse tuin aanleggen die werd ontworpen door een leerling van André Le Nôtre en die vrij toegankelijk is. Ook het Paleis Hofburg gaat prat op allerlei fraaie tuinen waaronder de Burggarten en de Volksgarten. In het paleizencomplex zijn verschillende musea gevestigd, maar vooral de keizerlijke appartementen zijn een must. Hier woonden keizer Franz Joseph en zijn vrouw Elisabeth van Beieren die onder de naam Sissi (film)geschiedenis zou schrijven. Aan haar is trouwens een bijzonder theatrale tentoonstelling gewijd.
Vlak naast de keizerlijke appartementen bevindt zich de Oostenrijkse ruiterschool. Je kunt er optredens van de lippizanerpaarden bijwonen of gewoon toekijken tijdens de trainingen. Koude rillingen verzekerd!
Kasteel met 1.441 kamers
In de zomermaanden verbleven de Oostenrijkse keizers niet in de Hofburg, maar in Schloss Schönbrunn, aan de rand van Wenen. Dit indrukwekkende paleis moest het kasteel van Versailles naar de troon steken. Het kasteel is dan wel kleiner dan dat van Versailles, maar met zijn 1.441 kamers blijft het bijzonder indrukwekkend. Vooral de tuinen zijn bijzonder mooi aangelegd en tot in de perfectie onderhouden.
Het mooiste uitzicht op het paleis en de tuinen krijg je vanaf de Gloriette, het 'tuinhuis' van het slot, waar de keizers hun feestelijke diners organiseerden. In de tuin van Schönbrunn bevindt zich bovendien de oudste dierentuin van de wereld: Tiergarten Schönbrunn, opgericht in 1752 en de thuishaven van tal van bedreigde diersoorten. Schönbrunn is trouwens de enige dierentuin van Europa waar reuzenpanda's zich op natuurlijk wijze hebben voortgeplant. 'Tot twee keer toe, intussen,' knipoogt Martin. 'Je ziet: zelfs de panda's vinden dit de meest leefbare stad ter wereld.'
Het park van Schloss Schönbrunn maakt deel uit van de groene gordel rond Wenen, die verder onder meer het Prater omvat, het grootste van de Weense parken. 'Tot 1766 werd dit groene terrein gebruikt als koninklijk jachtterrein en mochten alleen de koning en zijn gasten hier komen', vertelt Martin. Het was keizer Jozef II die het park openstelde voor het publiek, al werd hier nog in 1920 gejaagd. Al snel vestigden zich hier de eerste koffiehuizen en cafés. Dat zou uiteindelijk leiden tot het Wurstelprater, een groot amusementspark met een honderd jaar oud reuzenrad dat nog steeds het uithangbord van het park is.
Het Prater trekt vooral veel buitenlanders. Een beter bewaard geheim en een oase van rust waar vooral de Weners tot rust komen, is de Alte Donau, waar je heerlijk kunt varen met plezierbootjes, zwemmen of gewoon zonnebaden.
Nog een geliefde ontspanningsplaats is het Donauinsel. 'In 1975 werd een breed kanaal aangelegd, de Nieuwe Donau, om de kans op overstromingen te verkleinen. In het kanaal kwam ook een 21 kilometer lang eiland, dat door de bewoners van Wenen met open armen werd ontvangen om te fietsen, wandelen, lopen en skateboarden. En vooral het in totaal 42 kilometer lange stadsstrand is een groot succes.' Met de metro tot aan het strand in het centrum, het is niet veel steden gegeven.
(Bron: Nieuwsblad)
Martin neemt ons mee naar de Kahlenberg, een met wijngaarden bedekte heuvel in het noorden van Wenen. Vooral 's avonds heb je er een prachtig uitzicht over de stad. De Oostenrijkse hoofdstad telt zo'n 700 hectare wijngaarden, goed voor een productie van ruim twee miljoen liter wijn. Wijnproeven kun je het best in een van de Heurigers doen. Een Heuriger is een typische Weense wijntaverne met wit-rood geruite tafelkleedjes en livemuziek. Je kunt je drank combineren met stevige Oostenrijkse maaltijden, die worden afgewogen aan de kassa. Een typischer begin van een bezoek aan Wenen is haast niet denkbaar.
Sachertorte
Een van de criteria waarvoor Wenen zeker een hoge score gehaald heeft, is het openbaar vervoer. Metro's, trams en bussen zijn er in overvloed en sinds begin september rijdt de metro in het weekend ook 's nachts. De Kahlenberg ligt even buiten het centrum, maar met het openbaar vervoer staan we snel aan de voet van de Stephansdom.
'Voor de Weners is dit hét centrum van de stad', legt Martin uit. Het is bovendien het mooiste gotische gebouw van Oostenrijk, waarvan vooral het dak opvalt: zo'n 250.000 dakpannen vormen het wapen van Habsburgers. Binnenin is een bezoek aan de catacomben en de noordtoren met een 20 ton zware klok zeker de moeite waard. Het verkeer rond de Stephansdom bestaat grotendeels uit paardenkoetsen en de winkelstraten zijn zelfs helemaal verkeersvrij.
Aan het einde van de Kärtner Strasse, de duurste straat op het Oostenrijkse Monopoly-bord, ligt de Staatsopera. Wie hier een voorstelling wil bijwonen - een mondje Duits is zeker aan te raden - kan de dag zelf een goedkoop ticket kopen voor een staanplaats. Ben je geen operafan, dan kun je het neorenaissancegebouw ook gewoon bezoeken en je vergapen aan de beelden, de grote trap, het theesalon en de wandtapijten.
Naast de Staatsoper bevindt zich het Hotel Sacher, waar je de bekendste taart ter wereld kunt eten. Zeven jaar lang woedde een juridische strijd tussen Sacher en de grote concurrent, Demel. Uiteindelijk besliste de rechter dat alleen het Sacher Hotel zijn baksel 'Original Sacher-Torte' mag noemen. 'Maar maak je geen illusie', zegt Martin, 'bijna elk koffiehuis heeft zijn eigen sachertaart, een chocoladetaart met een laagje abrikozenmarmelade en een dikke laag chocoladeglazuur.'
En aan koffiebars heeft Wenen geen gebrek, want hier heerst nog een echte koffiecultuur. Een van de beroemdste koffiehuizen bevindt zich in de Friedrichstrasse. Het in 1899 ontworpen Café Museum opent in oktober opnieuw de deuren en mocht onder meer de symbolistische schilder Gustav Klimt onder zijn vaste klanten rekenen.
Dat valt te begrijpen, want vlakbij bevindt zich hét art-nouveaugebouw van de stad: het Secessionsgebouw. Het was de plek waar de kunstenaars van de Secession-stroming, de Oostenrijkse variant van de jugendstil/art nouveau, bij elkaar kwamen. Vooral de witte buitenkant en de met goud versierde koepel trekt heel wat bezoekers aan. Binnen bevindt zich de Beethovenfries, een 34 meter lang fresco van Klimt ter ere van Ludwig van Beethoven.
Wandel over de Naschmarkt, een gezellige dagelijkse markt, en je komt nog enkele mooie art-nouveaugebouwen tegen, zoals het witgekalkte Wagner Haus of het kleurrijke Majolika Haus. Wenen heeft de traditie een voorloper te zijn op architecturaal vlak. Het meest recente uithangbord daarvan is de Oostenrijkse kunstenaar Friedensreich Hundertwasser, die in Wenen verschillende gebouwen optrok, waaronder de lange schoorsteen met zilveren koepel van een afvalverwerkingsbedrijf. Zijn ultieme visitekaartje is natuurlijk het Hundertwasserhaus, een sprookjesachtig huis met uivormige koepels, een groen dak en een kleurige gevel. Het biedt onderdak aan zo'n 50 appartementen en bevat niet één rechte muur. Zelfs het trottoir voor het huis heeft iets van een achtbaan.
Groen en barok
Ook typisch voor Wenen zijn de vele groene zones. 'Van alle Europese grootsteden heeft Wenen het grootste percentage aan groen: bijna de helft van de totale stadsoppervlakte', zegt Martin. Tientallen parken en tuinen wedijveren om de aandacht. Zo is er het uitgestrekte stadspark met het wereldberoemde beeld van Johann Strauss, een van de uithangborden van de stad. Oorspronkelijk was dit standbeeld gewoon grijs, maar in Japan werd een collecte gehouden om het te voorzien van goudverf.
Een ander gezellig park is de Karlsplatz, waar bij mooi weer heel wat mensen onder de bomen aan het water zitten te genieten van het uitzicht op de Karlskirche. Die kerk is een pareltje van de barok en sinds de recente renovatie kun je er de stelling beklimmen tot helemaal in de koepel van de kerk. De plafondfresco's zijn zo binnen handbereik en je kunt ze dus uitvoerig bestuderen. Ook het uitzicht over de Weense daken is fantastisch. Op het plein voor de kerk staat, zoals op zoveel andere plaatsen, een drinkwaterfontein. Gewoon aangesloten op het waterleiding, want in Wenen is het kraantjeswater drinkbaar, nog een criterium waaraan de meest leefbare stad moet voldoen. In het Stadspark was vroeger zelfs een kuuroord gevestigd waar geneeskrachtig mineraalwater werd gedronken. Nu is het gebouw, in barokstijl, een casino.
Een ander hoogtepunt van de barok is het Belvedere, de zomerresidentie van prins Eugene van Savoy. De prins verdedigde Wenen tegen de Turken en kreeg als oorlogsheld zo'n grote beloning dat hij zich meteen twee paleizen liet bouwen. In het hoogst gelegen gebouw bevindt zich nu een kunstmuseum met onder meer Klimts beroemdste werk, De kus. Tussen beide paleizen liet prins Eugene een Franse tuin aanleggen die werd ontworpen door een leerling van André Le Nôtre en die vrij toegankelijk is. Ook het Paleis Hofburg gaat prat op allerlei fraaie tuinen waaronder de Burggarten en de Volksgarten. In het paleizencomplex zijn verschillende musea gevestigd, maar vooral de keizerlijke appartementen zijn een must. Hier woonden keizer Franz Joseph en zijn vrouw Elisabeth van Beieren die onder de naam Sissi (film)geschiedenis zou schrijven. Aan haar is trouwens een bijzonder theatrale tentoonstelling gewijd.
Vlak naast de keizerlijke appartementen bevindt zich de Oostenrijkse ruiterschool. Je kunt er optredens van de lippizanerpaarden bijwonen of gewoon toekijken tijdens de trainingen. Koude rillingen verzekerd!
Kasteel met 1.441 kamers
In de zomermaanden verbleven de Oostenrijkse keizers niet in de Hofburg, maar in Schloss Schönbrunn, aan de rand van Wenen. Dit indrukwekkende paleis moest het kasteel van Versailles naar de troon steken. Het kasteel is dan wel kleiner dan dat van Versailles, maar met zijn 1.441 kamers blijft het bijzonder indrukwekkend. Vooral de tuinen zijn bijzonder mooi aangelegd en tot in de perfectie onderhouden.
Het mooiste uitzicht op het paleis en de tuinen krijg je vanaf de Gloriette, het 'tuinhuis' van het slot, waar de keizers hun feestelijke diners organiseerden. In de tuin van Schönbrunn bevindt zich bovendien de oudste dierentuin van de wereld: Tiergarten Schönbrunn, opgericht in 1752 en de thuishaven van tal van bedreigde diersoorten. Schönbrunn is trouwens de enige dierentuin van Europa waar reuzenpanda's zich op natuurlijk wijze hebben voortgeplant. 'Tot twee keer toe, intussen,' knipoogt Martin. 'Je ziet: zelfs de panda's vinden dit de meest leefbare stad ter wereld.'
Het park van Schloss Schönbrunn maakt deel uit van de groene gordel rond Wenen, die verder onder meer het Prater omvat, het grootste van de Weense parken. 'Tot 1766 werd dit groene terrein gebruikt als koninklijk jachtterrein en mochten alleen de koning en zijn gasten hier komen', vertelt Martin. Het was keizer Jozef II die het park openstelde voor het publiek, al werd hier nog in 1920 gejaagd. Al snel vestigden zich hier de eerste koffiehuizen en cafés. Dat zou uiteindelijk leiden tot het Wurstelprater, een groot amusementspark met een honderd jaar oud reuzenrad dat nog steeds het uithangbord van het park is.
Het Prater trekt vooral veel buitenlanders. Een beter bewaard geheim en een oase van rust waar vooral de Weners tot rust komen, is de Alte Donau, waar je heerlijk kunt varen met plezierbootjes, zwemmen of gewoon zonnebaden.
Nog een geliefde ontspanningsplaats is het Donauinsel. 'In 1975 werd een breed kanaal aangelegd, de Nieuwe Donau, om de kans op overstromingen te verkleinen. In het kanaal kwam ook een 21 kilometer lang eiland, dat door de bewoners van Wenen met open armen werd ontvangen om te fietsen, wandelen, lopen en skateboarden. En vooral het in totaal 42 kilometer lange stadsstrand is een groot succes.' Met de metro tot aan het strand in het centrum, het is niet veel steden gegeven.
(Bron: Nieuwsblad)
Spanje; 400ste sterfdag El Greco
Het jaar van de 400ste sterfdag van El Greco
In
2014 is het precies vierhonderd jaar geleden dat de schilder ‘El Greco’
in Toledo overleed. Dit feit wordt door veel Spaanse plaatsen maar
vooral door Toledo aangegrepen om exposities en evenementen te
organiseren, die zich concentreren op deze bijzondere artiest, die niet
in Spanje geboren werd maar wel door de Spanjaarden in het hart werd
gesloten.
De naam Domenikos Theotokopoulos zal niet veel mensen iets zeggen. Toch gaat het hier om een wereldberoemde schilder, die diende als inspiratiebron voor andere wereldberoemde schilders als Picasso en Pollock. Theotokopoulos is dan ook bekend geworden onder de bijnaam die hij kreeg toen hij in Spanje kwam wonen en werken: ‘El Greco’ (de Griek). Het feit dat El Greco zijn mooiste en bekendste werken schilderde terwijl hij in Spanje woonde, zorgde er bovenden voor dat?Spanje hem min of meer adopteerde als ‘een van hen’ en dat hij in de Spaanse kunstgeschiedenisboeken bijna net zo’n grote plek inneemt als Goya of Velázquez.
El Greco overleed in 1614 in Toledo en het is die stad die gedurende het hele jaar het middelpunt van alle jubileum-activiteiten zal vormen. Het jubileumjaar wordt op 18 januari geopend met een speciaal kerkklokkenconcert. In de weken erna worden er diverse speciale exposities geopend en ook zijn er in de straten van Toledo talloze andere activiteiten, die te vinden zijn op de speciale website www.elgreco2014.com.
Maar wie was El Greco eigenlijk? Domenikos Theotokopoulos werd in 1541 geboren in Kandia (het huidige Iraklion) op het eiland Kreta, dat in die tijd deel uitmaakte van het koninkrijk Venetië. Zijn vader was een handelaar en zijn oudere broer volgde in diens voetsporen. Domenikos toonde echter al jong belangstelling voor de schilderkunst en hij werd een schilder van iconen. Al toen hij nog maar 21 was, werd hij in geschriften aangeduid als ‘Maestro Domenigo’, hetgeen wil zeggen dat hij een erkend professioneel schilder was. De iconen hadden een post-byzantijnse stijl en de afbeeldingen waren vaak gekopieerd van oude religieuze modellen, het was dus niet nodig er veel van jezelf in te leggen. Dat het werk van Domenikos toch erg gewaardeerd werd, blijkt uit het feit dat hij in 1566 een icoon verkocht voor 70 gouden dukaten, een hoge prijs en vergelijkbaar met de bedragen die er in die tijd voor werken van bijvoorbeeld Titiaan en Tintoretto werden betaald.
In 1567 vertrok Domenikos naar Venetië om zijn schilderkunst verder te verfijnen. Venetië was in die tijd het centrum van de Italiaanse schilderkunst en Domenikos liet zich inspireren door de vele grootmeesters die er rondliepen.
De naam Domenikos Theotokopoulos zal niet veel mensen iets zeggen. Toch gaat het hier om een wereldberoemde schilder, die diende als inspiratiebron voor andere wereldberoemde schilders als Picasso en Pollock. Theotokopoulos is dan ook bekend geworden onder de bijnaam die hij kreeg toen hij in Spanje kwam wonen en werken: ‘El Greco’ (de Griek). Het feit dat El Greco zijn mooiste en bekendste werken schilderde terwijl hij in Spanje woonde, zorgde er bovenden voor dat?Spanje hem min of meer adopteerde als ‘een van hen’ en dat hij in de Spaanse kunstgeschiedenisboeken bijna net zo’n grote plek inneemt als Goya of Velázquez.
El Greco overleed in 1614 in Toledo en het is die stad die gedurende het hele jaar het middelpunt van alle jubileum-activiteiten zal vormen. Het jubileumjaar wordt op 18 januari geopend met een speciaal kerkklokkenconcert. In de weken erna worden er diverse speciale exposities geopend en ook zijn er in de straten van Toledo talloze andere activiteiten, die te vinden zijn op de speciale website www.elgreco2014.com.
Maar wie was El Greco eigenlijk? Domenikos Theotokopoulos werd in 1541 geboren in Kandia (het huidige Iraklion) op het eiland Kreta, dat in die tijd deel uitmaakte van het koninkrijk Venetië. Zijn vader was een handelaar en zijn oudere broer volgde in diens voetsporen. Domenikos toonde echter al jong belangstelling voor de schilderkunst en hij werd een schilder van iconen. Al toen hij nog maar 21 was, werd hij in geschriften aangeduid als ‘Maestro Domenigo’, hetgeen wil zeggen dat hij een erkend professioneel schilder was. De iconen hadden een post-byzantijnse stijl en de afbeeldingen waren vaak gekopieerd van oude religieuze modellen, het was dus niet nodig er veel van jezelf in te leggen. Dat het werk van Domenikos toch erg gewaardeerd werd, blijkt uit het feit dat hij in 1566 een icoon verkocht voor 70 gouden dukaten, een hoge prijs en vergelijkbaar met de bedragen die er in die tijd voor werken van bijvoorbeeld Titiaan en Tintoretto werden betaald.
In 1567 vertrok Domenikos naar Venetië om zijn schilderkunst verder te verfijnen. Venetië was in die tijd het centrum van de Italiaanse schilderkunst en Domenikos liet zich inspireren door de vele grootmeesters die er rondliepen.
Ook studeerde hij een poosje onder Titiaan.
Daarna maakte hij een reis langs diverse Italiaanse steden en in 1570
vestigde hij zich in Rome. Door een collega werd hij geïntroduceerd in
de intellectuele kringen van Rome en enige tijd genoot hij de
bescherming van kardinaal Alessandro Farnesio. In 1572 begon hij echter
een eigen schilderswerkplaats en hij specialiseerde zich in portretten.
In Rome werd hij echter gezien als een buitenlander en de bijnaam ‘Il
Greco’ ontstond in deze jaren. Hij kreeg minder werk dan zijn Italiaanse
collega’s, ondanks het feit dat hij een zeer goed schilder was geworden
en dat de in Italië zo populaire renaissance-invloeden duidelijk te
zien waren in zijn werk. Domenikos had echter weinig op met de in Rome
op dat moment hooggewaardeerde stijl van Michelangelo en Raphaël en
volgens een 1621 verschenen biografie zou hij zelfs hebben aangeboden
het bloot in de schilderingen van Michelangelo in de Sixtijnse kapel te
bedekken of te vervangen door ‘fatsoenlijker’ schilderingen. Dit soort
kritiek werd hem in Rome niet in dank afgenomen en uiteindelijk vertrok
hij uit Italië.
In 1577, op 36-jarige leeftijd, kwam Domenikos in Spanje aan, aangetrokken door een oproep van koning Philips de tweede. Deze vorst wilde dat het net afgebouwde klooster van El Escorial op de mooist mogelijke manier zou worden versierd door schilderwerken en hij nodigde alle Italiaanse artiesten van naam uit naar Spanje te komen.
El Greco verbleef even in Madrid maar omdat hij daar niet meteen aan het werk kon, reisde hij door naar Toledo, waar hij een contact had in de persoon van de zoon van de deken van de kathedraal.
Toledo was in die tijd de religieuze hoofdstad van Spanje en één van de belangrijkste en grootste steden van het land. Via zijn contact kreeg Domenikos, die vanwege zijn lange en lastige achternaam ook hier al snel ‘El Greco’ werd genoemd, meteen een opdracht voor het beschilderen van het hoofdaltaar van de kerk Santo Domingo el Antiguo. Het resultaat van met name het schilderij van de hemelvaart viel zó in de smaak, dat de naam van Domenikos in?Toledo meteen gevestigd was.
‘El Greco’ wilde echter terug naar Madrid en tussen 1578 en 1582 kreeg hij inderdaad twee grote opdrachten van Philips II. Deze werken, die zich tot op de dag van vandaag in het klooster van El Escorial bevinden, vielen niet echt niet de smaak bij de koning en deze gaf Domenikos na 1582 dan ook geen verdere opdrachten meer. In Toledo lagen de opdrachten ondertussen voor het oprapen. Domenikos opende er dus een werkplaats en maakte voornamelijk religieuze werken, bedoeld voor de altaren van de vele kerken. Zijn werk kreeg een steeds persoonlijker karakter, met een combinatie van zijn Griekse iconenverleden, de Italiaanse renaissance en bijzonder kleurgebruik.
In 1585 kon hij het zich veroorloven een deel van het paleis van de markies van Villena te huren en daar zou hij - met enkele onderbrekingen - tot zijn dood in 1614 blijven wonen. In de laatste twintig jaar van zijn leven had hij een dermate bekende naam dat de opdrachtgevers van heinde en verre kwamen. Maar omdat hij in Toledo woonde en er in Toledo zoveel kerken waren, bleven de meeste van zijn werken binnen de stadsmuren van Toledo en tot op de dag van vandaag bevindt een aanzienlijk deel van het werk van ‘El Greco’ zich in de stad waar deze schilder zijn hoogtijdagen beleefde. Toch zijn er ook veel werken van El Greco in andere steden in Spanje en zelfs in het buitenland beland. Zo hebben maar liefst dertig Spaanse steden minimaal één schilderij van El Greco en hangen er schilderijen van El Greco in Het Rijksmuseum, De Hermitage, The National Gallery, het Louvre, het Uffizi en het Metropolitan Museum of Art. Een aantal van deze werken wordt dit jaar naar Toledo gebracht om deel uit te maken van de speciale herdenkingsexposities.
Domenikos Theotokopoulos overleed op 7 april 1614 en werd in de Santo Domingo el Antiguo begraven. Ondanks het feit dat hij tot op de dag van zijn dood ‘El Greco’ werd genoemd, was hij een inwoner waar Toledo trots op was en nog altijd is. Daarom staat Toledo vanaf dit weekend dus uitgebreid stil bij de 400ste sterfdag van deze bijzondere schilder.
Bea Lutje Schipholt
.
In 1577, op 36-jarige leeftijd, kwam Domenikos in Spanje aan, aangetrokken door een oproep van koning Philips de tweede. Deze vorst wilde dat het net afgebouwde klooster van El Escorial op de mooist mogelijke manier zou worden versierd door schilderwerken en hij nodigde alle Italiaanse artiesten van naam uit naar Spanje te komen.
El Greco verbleef even in Madrid maar omdat hij daar niet meteen aan het werk kon, reisde hij door naar Toledo, waar hij een contact had in de persoon van de zoon van de deken van de kathedraal.
Toledo was in die tijd de religieuze hoofdstad van Spanje en één van de belangrijkste en grootste steden van het land. Via zijn contact kreeg Domenikos, die vanwege zijn lange en lastige achternaam ook hier al snel ‘El Greco’ werd genoemd, meteen een opdracht voor het beschilderen van het hoofdaltaar van de kerk Santo Domingo el Antiguo. Het resultaat van met name het schilderij van de hemelvaart viel zó in de smaak, dat de naam van Domenikos in?Toledo meteen gevestigd was.
‘El Greco’ wilde echter terug naar Madrid en tussen 1578 en 1582 kreeg hij inderdaad twee grote opdrachten van Philips II. Deze werken, die zich tot op de dag van vandaag in het klooster van El Escorial bevinden, vielen niet echt niet de smaak bij de koning en deze gaf Domenikos na 1582 dan ook geen verdere opdrachten meer. In Toledo lagen de opdrachten ondertussen voor het oprapen. Domenikos opende er dus een werkplaats en maakte voornamelijk religieuze werken, bedoeld voor de altaren van de vele kerken. Zijn werk kreeg een steeds persoonlijker karakter, met een combinatie van zijn Griekse iconenverleden, de Italiaanse renaissance en bijzonder kleurgebruik.
In 1585 kon hij het zich veroorloven een deel van het paleis van de markies van Villena te huren en daar zou hij - met enkele onderbrekingen - tot zijn dood in 1614 blijven wonen. In de laatste twintig jaar van zijn leven had hij een dermate bekende naam dat de opdrachtgevers van heinde en verre kwamen. Maar omdat hij in Toledo woonde en er in Toledo zoveel kerken waren, bleven de meeste van zijn werken binnen de stadsmuren van Toledo en tot op de dag van vandaag bevindt een aanzienlijk deel van het werk van ‘El Greco’ zich in de stad waar deze schilder zijn hoogtijdagen beleefde. Toch zijn er ook veel werken van El Greco in andere steden in Spanje en zelfs in het buitenland beland. Zo hebben maar liefst dertig Spaanse steden minimaal één schilderij van El Greco en hangen er schilderijen van El Greco in Het Rijksmuseum, De Hermitage, The National Gallery, het Louvre, het Uffizi en het Metropolitan Museum of Art. Een aantal van deze werken wordt dit jaar naar Toledo gebracht om deel uit te maken van de speciale herdenkingsexposities.
Domenikos Theotokopoulos overleed op 7 april 1614 en werd in de Santo Domingo el Antiguo begraven. Ondanks het feit dat hij tot op de dag van zijn dood ‘El Greco’ werd genoemd, was hij een inwoner waar Toledo trots op was en nog altijd is. Daarom staat Toledo vanaf dit weekend dus uitgebreid stil bij de 400ste sterfdag van deze bijzondere schilder.
Bea Lutje Schipholt
.
zaterdag 4 januari 2014
Spanje
Driekoningenlekkernij: Roscón de Reyes
Zoals
turrón hoort bij kerstmis en de twaalf druiven bij Oud en Nieuw, zo
heeft ook Driekoningen zijn eigen Spaanse lekkernij: de Roscón de Reyes.
Elke bakker en elke supermarkt hebben deze specialiteit de komende
dagen in de aanbieding, maar het is ook heel goed mogelijk én heel leuk
om zelf een Roscón te maken.
Als u al meerdere jaren in Spanje woont of al eens vaker de feestdagen in Spanje heeft doorgebracht, heeft u ze ongetwijfeld zien liggen: ronde broden met een gat in het midden die versierd zijn met gekleurde gekonfijte vruchtjes, suiker of stukjes amandelen. Dit is de Roscón de Reyes, het brood dat vrijwel elke Spaanse familie in huis haalt op 5 januari en dat op 6 januari in familiekring met veel genoegen wordt opgepeuzeld. In het deeg zitten verrassingen verstopt en dat maakt het samen opeten nóg feestelijker.
De Roscón de Reyes zoals deze er nu uitziet is in de loop der eeuwen voortgekomen uit verschillende heel oude tradities. Zo hadden de Romeinen al de gewoonte een rond brood te eten tijdens de feesten voor hun God Saturnus die in de kortste dagen van het jaar werden gevierd. Aan het beslag voor dit brood werden vijgen, dadels en honing toegevoegd en vanaf de derde eeuw na Christus werd in het brood een gedroogde tuinboon verstopt. Degene die het stuk kreeg toebedeeld waar de boon inzat, mocht een dag voor ‘koning’ spelen.
In Spanje zijn er al documenten bekend uit de twaalfde eeuw waarin gesproken wordt over een brood waarin een tuinboon werd verstopt. Het kind dat de boon vond, werd de ‘koning van de boon’ genoemd. In documenten met een Moorse oorsprong is opgetekend dat er in Granada in een koek een muntje werd verstopt en dat deze koek op nieuwjaarsdag werd opgegeten. Degene die het muntje vond, zou een voorspoedig jaar tegemoet gaan.
Volgens de overlevering zou de Franse koning Lodewijk XV een actieve rol hebben gespeeld in de gewoonte om op Driekoningen een brood met verrassingen te eten. Deze vorst kreeg in de achttiende eeuw door zijn uit Oost-Europa afkomstige kok op de dag van Driekoningen een rond brood aangeboden met daarin een medaillon verstopt, bij wijze van cadeau van het hele personeel voor de koning. De koning vond dit zo’n leuke verrassing dat hij de gewoonte wilde verspreiden onder de Europese koningshuizen: hij gaf ze een brood cadeau met daarin een munt verstopt en wie het stuk met de munt had, was voor even ‘de koning’. Vooral in het Spaanse koningshuis bleek het cadeau van Lodewijk in de smaak te vallen en het zou dus sinds de achttiende eeuw zijn dat de roscón zoals die nu bekend is, zich onder de Spaanse bevolking begon te verspreiden.
Als u al meerdere jaren in Spanje woont of al eens vaker de feestdagen in Spanje heeft doorgebracht, heeft u ze ongetwijfeld zien liggen: ronde broden met een gat in het midden die versierd zijn met gekleurde gekonfijte vruchtjes, suiker of stukjes amandelen. Dit is de Roscón de Reyes, het brood dat vrijwel elke Spaanse familie in huis haalt op 5 januari en dat op 6 januari in familiekring met veel genoegen wordt opgepeuzeld. In het deeg zitten verrassingen verstopt en dat maakt het samen opeten nóg feestelijker.
De Roscón de Reyes zoals deze er nu uitziet is in de loop der eeuwen voortgekomen uit verschillende heel oude tradities. Zo hadden de Romeinen al de gewoonte een rond brood te eten tijdens de feesten voor hun God Saturnus die in de kortste dagen van het jaar werden gevierd. Aan het beslag voor dit brood werden vijgen, dadels en honing toegevoegd en vanaf de derde eeuw na Christus werd in het brood een gedroogde tuinboon verstopt. Degene die het stuk kreeg toebedeeld waar de boon inzat, mocht een dag voor ‘koning’ spelen.
In Spanje zijn er al documenten bekend uit de twaalfde eeuw waarin gesproken wordt over een brood waarin een tuinboon werd verstopt. Het kind dat de boon vond, werd de ‘koning van de boon’ genoemd. In documenten met een Moorse oorsprong is opgetekend dat er in Granada in een koek een muntje werd verstopt en dat deze koek op nieuwjaarsdag werd opgegeten. Degene die het muntje vond, zou een voorspoedig jaar tegemoet gaan.
Volgens de overlevering zou de Franse koning Lodewijk XV een actieve rol hebben gespeeld in de gewoonte om op Driekoningen een brood met verrassingen te eten. Deze vorst kreeg in de achttiende eeuw door zijn uit Oost-Europa afkomstige kok op de dag van Driekoningen een rond brood aangeboden met daarin een medaillon verstopt, bij wijze van cadeau van het hele personeel voor de koning. De koning vond dit zo’n leuke verrassing dat hij de gewoonte wilde verspreiden onder de Europese koningshuizen: hij gaf ze een brood cadeau met daarin een munt verstopt en wie het stuk met de munt had, was voor even ‘de koning’. Vooral in het Spaanse koningshuis bleek het cadeau van Lodewijk in de smaak te vallen en het zou dus sinds de achttiende eeuw zijn dat de roscón zoals die nu bekend is, zich onder de Spaanse bevolking begon te verspreiden.
De roscón, zoals die nu bij de meeste bakkers en in de meeste supermarkten wordt aangeboden, lijkt op een rondgebogen banketstaaf. De originele roscón is alleen gemaakt van zoet brooddeeg maar er zijn de laatste decennia ook versies verkrijgbaar die gevuld zijn met room, chocola of cabello de ángel (zoete spijs van pompoen). De roscón is versierd met vruchtjes, amandelsnippers en suiker en in het deeg zitten diverse verrassingen verstopt. In elk geval de aloude gedroogde haba (tuinboon) en in veel gevallen ook andere verrassingen, zoals een keramieken figuurtje van één van de drie koningen, van Maria, van het kindje Jezus of gewoon een grappig poppetje. De betekenis van deze figuren is niet overal hetzelfde. In sommige streken houdt men zich aan de alleroudste tradities en hij of zij die het stuk krijgt toebedeeld waarin de tuinboon blijkt te zitten, krijgt de meegeleverde papieren gouden kroon en is die dag ‘de koning’ van het gezin. In streken waar het eten van de Roscón de Reyes een nog wat minder lange geschiedenis heeft - zoals de Comunidad Valenciana - krijgt juist de degene die het beeldje vindt de koningskroon en is degene die de tuinboon vindt, de pineut: deze moet betalen!Per gezin ‘vertaalt’ men de traditie op zijn eigen manier maar wat gelijk blijft is het plezier en de saamhorigheid die te voelen is als het ronde brood in stukken wordt gesneden en vooral de kleinere kinderen vol spanning kijken of hun stuk brood een ‘schat’ verbergt.
De Roscón de Reyes gaat in veel families vergezeld van een beker warme chocola. En hoewel het vroeger voor veel Spaanse huisvrouwen de normaalste zaak van de wereld was om de roscón zelf te bakken, ging men in de afgelopen decennia steeds vaker over tot het kopen van een kant-en-klare roscón bij een bakker of in de supermarkt. Toch is het niet zo heel moeilijk om zelf een roscón te bakken en mensen die graag bakken, zouden zich dus eens kunnen wagen aan het volgende recept:
Roscón de ReyesIngrediënten:
650 gr broodmeel, 250 ml lauwe melk, 25 gr gist, 120 gr suiker, 120 gr gesmolten roomboter, 2 eieren, 10 gr zout, geraspte schil van 1 sinaasappel en 1 citroen, 3 eetlepels (oranjebloesem) water.Voor de decoratie:
1 gedroogde tuinboon, figuurtjes die tegen verhitting kunnen, 1 ei, 1 sinaasappel of ander gesuikerd fruit, amandelsnippers.
Bereiding:
Meng de lauwe melk met de gist en drie eetlepels van het meel in een grote kom. Dek de kom af en laat 20 minuten staan op een warme plek zodat het mengsel kan gisten. Voeg dan de rest van het meel en vervolgens de suiker, de citroen- en sinaasappelrasp, het zout, de 2 eieren, het water en als laatste de gesmolten boter toe. Meng dit alles goed.
Strooi wat bloem op een plat oppervlak en kneed het mengsel met uw handen tot u er een homogene bol van kunt maken. Leg de bol terug in de kom, dek deze af met een vochtige doek en laat een paar uur staan op een warme plek zonder tocht.
Warm de oven voor op 50 graden, leg het deeg weer op een met bloem bestrooid oppervlak en kneed opnieuw. U kunt twee kleine of één grote roscón maken. Maak de bol platter en maak met uw vingers een flink gat in het midden. Zet de oven uit en leg de roscón een uur op een met bakpapier bedekte bakplaat in de lauwe oven.
Haal de roscón weer uit de oven, strijk er met een kwastje eigeel over en versier met stukjes sinaasappel of ander fruit, amandelsnippers en suiker. Dit is ook het moment om de boon en de figuurtjes diep in de roscón te drukken. Ondertussen warmt u de oven voor op 180 graden en als de roscón mooi versierd is, bakt u deze 20 minuten in de oven.
woensdag 1 januari 2014
Deze steden kunnen wonderstad worden
vorige | foto 2 van 28 | volgende
New7Wonders
is op zoek naar 7 wondersteden en heeft de 28 genomineerde steden op
haar website bekendgemaakt. Dit is Londen, Groot-Brittannië.
© thinkstock
Culturele hoofdsteden van Europa in 2014
1/01/14 -
06u10 Bron: ANP
Riga, de hoofdstad van Letland.
© thinkstock.
Het in België niet erg bekende Umeå is met ruim 75.000 inwoners de op
cultureel gebied belangrijkste stad in het noorden van Zweden. Jaarlijks
wordt er in oktober of begin november een jazzfestival gehouden dat tot
de belangrijkste evenementen voor moderne jazz in Noord-Europa behoort.
Ook zijn er verscheidene musea, zoals het Zweedse skimuseum en een
centrum voor moderne beeldende kunst.
Riga is met ongeveer 700.000 inwoners de grootste stad in de drie Baltische landen. De oude binnenstad, die wordt omringd door vestingwerken, staat op de Werelderfgoedlijst van Unesco, de VN-organisatie voor cultuur. Andere bekende trekpleisters zijn de artnouveaugebouwen in het zogenoemde Stille Centrum, een wijk ten noorden van de oude binnenstad, de dom en het slot.
Zowel Riga als Umeå maakt in januari de plannen voor dit jaar bekend.
De Noord-Zweedse stad Umeå en Riga, de hoofdstad van Letland, zijn in
2014 de culturele hoofdsteden van Europa. Zij volgen de Franse
havenstad Marseille en de Slowaakse stad Kosice op, die vorig jaar met
culturele activiteiten de Europeanen voor zich probeerden te winnen.
Riga is met ongeveer 700.000 inwoners de grootste stad in de drie Baltische landen. De oude binnenstad, die wordt omringd door vestingwerken, staat op de Werelderfgoedlijst van Unesco, de VN-organisatie voor cultuur. Andere bekende trekpleisters zijn de artnouveaugebouwen in het zogenoemde Stille Centrum, een wijk ten noorden van de oude binnenstad, de dom en het slot.
Zowel Riga als Umeå maakt in januari de plannen voor dit jaar bekend.
Het verwelkomen van het jaar 2014 in de wereld
vorige | foto 1 van 25 | volgende
Oud en Nieuw 2013-2014 over de wereld
Inwoners van de eilandstaatjes Kiribati en Samoa hebben als eersten om 11.00 uur het nieuwe jaar verwelkomd. Nieuw-Zeeland volgde een uur later. Sydney (Australië), Tokio (Japan) en Pyongyang (Noord-Korea) volgden. Om 17.00 uur was het de beurt aan de Chinese hoofdstad Peking, waarna Rusland en uiteindelijk ook de rest van Europa en België volgden. Hier: Surabaya, Indonesië © getty
Abonneren op:
Reacties (Atom)